Vak3dactisch model 3

Categories

Deel op social media

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter
Share on whatsapp
Share on pinterest
Share on email

Vakdidactisch handelen

Een specialist in de natuurkunde is niet noodzakelijk een goede leraar natuurkunde en een buitengewoon begaafd violist is niet per se een goede muziekleraar. Jouw vakkennis als invalleraar staat buiten kijf, maar een goede docent weet daarbij welke didactische methode hij dient te gebruiken om leerlingen deze vakinhoud te leren.
En zeker als invalleraar heb je te maken me een voor jou onbekende groep. Hoe bereik je deze nieuwe gezichten en hoe breng je ze effectief kennis bij over jouw vakgebied? Antwoord op deze vraag: door vakdidactisch te handelen. 
Maar wat is vakdidactiek nu eigenlijk, wat is de vakdidactische competentie? Hoe verhoudt het zich tot algemene didactiek en hoe belangrijk is vakdidactisch handelen voor jou als invalleraar? In dit artikel zullen we antwoord geven op deze vragen. Allereerst zullen we ons richten op de theorie waarna we aansluitend kijken naar een aantal praktijksituaties, dit om jou als invalleraar voor De 5e Dag de nodige praktische handvatten te geven. 

1.1 Wat is vakdidactiek en hoe verhoudt het zich tot algemene didactiek?

Algemene didactiek gaat over het leren van leerlingen in het ‘algemeen’. De vakkennis is – zoals het woord ook al zegt – de inhoudelijke kennis van een vak. 

Een vergelijking: wil je leren koken, dan heb je kennis nodig van allerlei technieken en instrumenten, bijvoorbeeld een instrument, een klopper, om zowel de slagroom als het ei te kloppen. Dat is de algemene didactiek of onderwijskunde. Maar je hebt ook kennis nodig over de producten en hoe die te gebruiken. Eiwit is iets anders dan slagroom. Dit is vakkennis.

Vakdidactiek gaat dus met name om de vraag hoe een specifiek schoolvak onderwezen kan worden zodat leerlingen vakspecifieke kennis, vaardigheden en attitudes verwerven.

1.2 Wat is de vakdidactische competentie?

‘Kunnen uitdagen’ en ‘kunnen uitgedaagd worden’. De specifieke vakdidactische competentie heeft niet alleen de inhoud van wat moet worden aangeleerd voor ogen, maar ook de manier waarop dat moet gebeuren. Vakdidactiek is daarom een proces waarbij rekening moet worden gehouden met:

  • de inhoud van het vak
  • met didactiek
  • met de praktijk.

Een leraar is iemand die lesgeeft en dus steeds gebonden is aan een concrete, maar vaak ook onvoorspelbare realiteit. Hij dient oog te hebben voor deze concrete context, zonder hierbij zijn doel, het overdragen van kennis, uit het oog te verliezen. 

Het gevolg is een dubbele uitdaging: doordat de leraar steeds ‘iets’ wil laten zien, daagt hij de praktijk uit. Maar omdat de leraar hierbij ook rekening dient te houden met wat er in de concrete klascontext gebeurt, moet hij zich ook laten uitdagen door de praktijk. 

Vakdidactisch competent zijn, is dus ‘kunnen uitdagen’ en ‘kunnen uitgedaagd worden’. Vakdidactiek is altijd in beweging. Laten we eens kijken naar wat soorten vakdidactiek.

1.3 Procesgerichte vakdidactiek (versus productgerichte didactiek)

We weten allemaal wat productgerichte didactiek is: de leerkracht laat voor de klas een afbeelding van een huis zien en de kinderen gaan dit zelf letterlijk namaken (tekenen etc)

We weten ook wat vrije expressie is: de leerkracht laat je dan zelf een tekening maken. In beide gevallen loop je tegen problemen aan: Bij productgerichte didactiek ontneem je leerlingen de kans om zelf te ontdekken. De ontwikkeling stagneert omdat keuzes al voor ze zijn gemaakt en de oplossingen al zijn bedacht. 

Bij vrije expressie stagneert de ontwikkeling mogelijk ook omdat het kind zoveel ruimte krijgt dat het in de comfortzone blijft en niet genoeg wordt uitgedaagd daar uit te stappen. Tussen deze uitersten zit de procesgerichte didactiek.

1.4 Onderzoekende vakdidactiek

Kinderen zijn grenzeloos nieuwsgierig. Ze vragen zich duizend dingen af! Niets vinden ze zo interessant als zelf op zoek gaan naar antwoorden. Bij onderzoekend leren speelt naast kennisverwerving het opdoen van onderzoeks- en ontwerpvaardigheden en het ontwikkelen van een nieuwsgierige houding een belangrijke rol. Vanuit verwondering en nieuwsgierigheid stellen kinderen vragen, om vervolgens vanuit interesse, motivatie en betrokkenheid antwoorden te vinden.

Procesgerichte didactiek heeft veel raakvlakken met onderzoekend leren. Ook het aanspreken van creativiteit vraagt om leerkrachtgedrag dat zowel sturend als volgend is. 

1.5 In hoeverre is ‘vakdidactisch handelen’ een taak van de invalleraar?

Net als pedagogisch handelen is vakdidactisch handelen een belangrijke pijler voor invalleraren. Je bent een ster in je vakgebied, maar maakt dat jou ook een vakdocent of invalleraar

Daar komt dus meer bij kijken. Je bekwamen in vakdidactisch handelen betekent: je die competenties eigen te maken die jou in staat stellen om jouw vakinhoud op de meest zinvolle en efficiënte manier over te brengen op jouw leerlingen. Een aanpak zoals we hebben gezien die niet alleen jouw leerlingen, maar ook jezelf uitdaagt.

1.6 Samenvatting 

Vakdidactisch handelen is ‘kunnen uitdagen’ en ‘uitgedaagd uitgedaagd worden’. Voor jou als invalleraar betekent dat die competenties je eigen maken die vakinhoud op de nuttigste en efficiëntste wijze overbrengen op jouw leerlingen. Hierbij kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van procesgerichte vakdidactiek.

2. Praktijk

2.1. Didactische werkvormen

Een didactische werkvorm is de manier waarop de docent de onderwijsleersituatie vormgeeft. Er bestaan 4 hoofdvormen:

  • Instructievorm – vertellen, uitleggen, demonstreren

Deze vorm bestaat uit een docent die voor de klas staat en leerlingen die luisteren en vragen stellen. Je moet zorgen dat je de kennis hebt om deze stof over te brengen. Voorbeelden van instructievormen zijn: presentaties, demonstraties en verhalen vertellen. 

De voordelen van de instructievorm is dat je precies weet wat je de leerlingen verteld hebt. Zo kunnen de leerlingen achteraf niet bij jou komen dat sommige vragen in de toets nooit behandeld zijn in de les. Het is ook efficiënt, de hele klas luistert mee. Zo hoef je niet leerstof meerdere keren uit te leggen. Nadelen zijn wel dat de leerlingen passief zijn. Leerlingen leren het meeste wanneer ze meerdere zintuigen gebruiken.

  • Interactievorm – beurten geven

Deze vorm betreft een docent die zorgt voor dialoog in de klas, bijvoorbeeld middels een kleine discussie in de klas. Stel vragen aan leerlingen en zij moeten jou daar antwoord op geven. Alle leerlingen mogen ook op elkaar reageren. Zorg er wel voor dat dit in een goede structuur gaat. De leerkracht geeft de beurten, de leerlingen steken vingers op. Leerlingen leren het meeste wanneer ze de leerstof aan elkaar uitleggen. 

De interactievorm heeft een groot voordeel: leerlingen leren hier veel van wanneer het goed begeleid wordt. Ook leerlingen die verlegen zijn kun je hier een beurt geven. Ze hebben al een aantal antwoorden gehoord dus het kan bijna niet misgaan. Het nadeel van deze vorm is, is dat er nooit een duidelijk antwoord is. Sommige leerlingen gaan dan twijfelen, want ze willen het beste antwoord. Ook is deze vorm erg tijdsintensief.

  • Opdrachtvorm – opdrachten geven

Deze vorm betreft een docent die opdrachten geeft in de klas. Leerlingen voeren hier zelfstandig de opdracht uit. Ze gaan op onderzoek uit en lossen leervragen op. Deze vorm zorgt ervoor dat de leerlingen hun eigen kennis gebruiken of op onderzoek uitgaan om tot een antwoord te komen. Ze worden hierdoor zelfstandig en vragen minder aan de leerkracht. Zorg ervoor dat de opdracht duidelijk is. Jouw doel is dat de leerlingen dit zelf doen en niet dat jij alles voor moet zeggen. 

Een voordeel is dat je makkelijk kunt toetsen welke leerlingen de opdracht begrepen hebben en welke niet. Zo kun je de leerlingen die de opdracht minder goed begrepen hebben een extra instructie geven. Ook kun je inschatten hoe lang de leerlingen voor deze opdracht nodig hebben. Een nadeel hiervan is, is dat het tijdsintensief is. Sommige leerlingen zijn juist heel snel klaar en anderen juist niet.

  • Samenwerkingsvorm – laten samenwerken

Deze vorm betreft een docent die groepsopdrachten geeft in de klas. Dit heet ook wel coöperatief leren. Bij coöperatief leren is het de bedoeling dat de leerlingen gaan samenwerken. Dit is goed voor de sociaal-emotionele en de cognitieve ontwikkeling. De leerkracht loopt alleen rond wanneer er vragen zijn over wat de leerlingen moet doen of om tips te geven. De leerlingen moeten samen tot antwoorden komen. Na deze samenwerkingsvorm kun je de interactievorm gebruiken om de gevonden bevindingen van elkaar te bekijken of te beluisteren. 

Voordelen hiervan zijn dat dit een goede manier is om te leren. Leerlingen gebruiken alle zintuigen en zijn actief bezig. Het zorgt naast de cognitieve ontwikkeling, ook voor een bevordering van de sociaal-emotionele ontwikkeling. Nadelen zijn dat de opdracht mogelijk verkeerd begrepen wordt, of dat één leerling al het werk doet. Je kunt dus niet toetsen welke leerling de opdracht begrepen heeft.

2.2 Onderzoekend leren

In de praktijk gaan leerlingen bij onderzoekend en ontwerpend leren op onderzoek uit. Ze  leren, aan de hand van onderzoeksvragen, te experimenteren en te kijken wat er gebeurt. We onderscheiden hierbij zeven stappen:

Fase 1: Confronteren

Verwondering en nieuwsgierigheid stimuleren, een vraag constateren, formuleren, ervaringen en voorkennis inventariseren. 

Fase 2: Verkennen 

Brede verkenning en vrije exploratie. Vragen formuleren, ideeën opperen, verwachting opstellen. Bedenken nieuwe ideeën stimuleren. 

Fase 3: Onderzoek opzetten 

Plan van aanpak maken, bronnen en materialen verzamelen, (tijdsplanning. 

Fase 4: Onderzoek uitvoeren 

Plan uitvoeren, waarnemen, bevindingen noteren. 

Fase 5: Concluderen 

Relatie leggen tussen resultaten & verwachtingen en mogelijke vervolgvragen formuleren. 

Fase 6: Onderzoek presenteren 

Verslag maken, presenteren, uitleggen, stimuleren kritische reacties, oordelen en waardering op het onderzoek. 

Fase 7: Reflecteren, verdiepen, verbreden 

De laatste stap van het lesprogramma is de reflectie. Reflecteren op onderzoeksproces, ontwikkelde vaardigheden, houding en kennis. Verbreding door begrippen betekenis te geven in andere contexten en te verbinden met andere begrippen.

Deze zeven stappen van onderzoekend leren worden benut om de nieuwsgierigheid op te wekken en kinderen te stimuleren tot actief en creatief leren. Tip: kijk eens bij de leerkracht cirkel.

2.3 Hoe creëer je een betekenisvolle context voor leerlingen?

In de ‘echte’ wereld, buiten de school, leer je altijd als daartoe een concrete aanleiding is. Je wilt iets kunnen oplossen of maken, je bent door een bericht nieuwsgierig geworden en wilt weten hoe dat zit, je ervaart een probleem en wilt dat oplossen, je maakt plannen en wilt die kunnen uitvoeren. In al die gevallen is de motivatie tot iets leren geen probleem. Je leert binnen een voor jou betekenisvolle context. 

Wat maakt dat leren buiten de school anders gaat dan erin? Productgerichte didactiek en de verkokering van de schoolvakken speelt hierbij een rol speelt. Elk vak heeft een eigen methode, met een eigen ‘thema’ en eigen oefenboeken. Toepassen van het geleerde vindt daardoor vaak in datzelfde isolement plaats. De vraag is dan: hoe creëer je die betekenisvolle context voor leerlingen?

Belangrijk is te zorgen dat het ‘probleem’  duidelijk en relevant is. Dat lukt beter als er bovendien perspectief is op een individuele toepassing daarvan. De leerling wordt eigenaar van het leerproces zodra hij/zij weet wat het persoonlijke doel is. Om zo te kunnen werken zijn wel wat condities nodig. 

Je vraagt van leerlingen bijvoorbeeld om te kiezen welk aspect van een thema zij verder willen onderzoeken en uitdiepen, om dit vervolgens op een passende manier aan de anderen te presenteren. Dat klinkt simpel, maar ‘kiezen’ betekent wel iets. Je moet als leerling een afweging kunnen maken, durf hebben om met iets aan de gang te gaan waarvan je een heleboel nog niet weet en misschien nog niet kunt overzien. Het betekent ook dat er iets te kiezen is en dat je daardoor dus iets anders niet kan doen. Zodra je hebt gekozen, ben je samen met je groepje, verantwoordelijk. Dit vraagt inzet, zorgvuldigheid, effectief samenwerken en soms zeker ook uithoudingsvermogen.

2.4 Vakdidactische tips

Bij het kiezen van de werkvormen en wellicht bij het combineren van verschillende werkvormen waar jij als invalleraar mee aan de slag gaat, is het goed om te beseffen wat kinderen onthouden. We leren namelijk:

  • 10% van wat we lezen
  • 20% van wat we horen
  • 30% van wat we zien
  • 50% van wat we horen en zien
  • 70% van wat we met anderen bespreken
  • 80% van wat we evalueren en nabespreken
  • 90% van wat we anderen uitleggen

Dus als we terug gaan naar de werkvormen, gebruik vooral de interactie, opdracht en samenwerkingsvorm.

2.5 Samenvatting
Om leerlingen lesstof zo goed mogelijk te laten onthouden zijn er vier didactische werkvormen die kunnen worden gebruikt: instructievorm, interactievorm, opdrachtvorm en de samenwerkingsvorm.

Ook verdient onderzoekend leren je aandacht. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de Onderzoekend leren circel – waarbij de zeven stappen je helpen kinderen te stimuleren tot actief en creatief leren. En zorg voor een relevante context, want effectieve kennisoverdracht is alleen mogelijk als er voor de leerlingen een relevante en dus persoonlijke context is. Zorg daarbij dat leerlingen eigenaar van het leerproces worden, door bijvoorbeeld het stellen van persoonlijke leerdoelen.

3. Conclusie

Vakdidactisch handelen is ‘kunnen uitdagen’ en ‘uitgedaagd uitgedaagd worden’. Voor jou als invalleraar betekent dat die competenties je eigen maken die vakinhoud op de nuttigste en efficiëntste wijze overbrengen op jouw leerlingen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van procesgerichte vakdidactiek en onderzoekende vakdidactiek.

Om leerlingen lesstof zo goed mogelijk te laten onthouden zijn er vier didactische werkvormen die kunnen worden gebruikt: instructievorm, interactievorm, opdrachtvorm en de samenwerkingsvorm.

Ook verdient onderzoekend leren je aandacht. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de Onderzoekend leren cirkel – waarbij de zeven stappen je helpen kinderen te stimuleren tot actief en creatief leren. 

4. Checklist & literatuur

Hierbij je checklist en aanvullende informatie in de kennisbank:

  1. Daag jezelf en kinderen uit – Procesgericht leren
  2. Gebruik de 7 stappen van onderzoekend leren – Onderzoekend leren
  3. Maak je lesstof begrijpbaar door te differentiëren naar leerstijl. Soorten intelligentie en leerstijlen
  4. Gebruik de juiste werkvorm – Tips voor activerende didactiek

Zorg ervoor dat leerlingen onderzoeken, bevragen, reflecteren en zichzelf uitdrukken.Meerwaarde van kunst en wetenschap

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter
Share on whatsapp
Share on pinterest
Share on email